Het samenwerkingsverband passend onderwijs vo beslist of uw kind in aanmerking komt voor leerwegondersteunend onderwijs. Het lwoo is er voor vmbo-leerlingen die extra hulp nodig hebben bij het behalen van hun diploma. Een deel van de scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs (vmbo) geven deze vorm van onderwijs.
Leert uw kind beter door praktijkervaring dan door theorie? En is uw kind waarschijnlijk niet in staat om een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) te halen? Misschien is het praktijkonderwijs dan een passende plek voor uw kind. Om naar het praktijkonderwijs te kunnen gaan, heeft uw kind een toelaatbaarheidsverklaring nodig van het samenwerkingsverband. In een samenwerkingsverband werken gewone scholen en scholen uit het speciaal onderwijs samen.
Leerlingen met dyslexie hebben moeite om van letters en woorden (op papier of digitaal) spraakklanken te maken. Er zijn verschillende aanpassingen en hulpmiddelen voor leerlingen met dyslexie. Bijvoorbeeld luisterboeken of extra leestijd bij opdrachten. Scholen bepalen zelf welke hulpmiddelen zij inzetten en hoe zij leerlingen met dyslexie begeleiden.
De minimumleeftijd waarop scholen uw kind mogen toelaten tot het speciaal onderwijs is 4 jaar. Voor dove of slechthorende kinderen geldt een minimumleeftijd van 3 jaar. Uw kind moet het voortgezet speciaal onderwijs uiterlijk verlaten als het 20 is. Soms is ontheffing mogelijk van deze leeftijdsgrenzen.
Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en praktijkonderwijs mogen uw kind van school sturen. Bijvoorbeeld omdat uw kind zich ernstig heeft misdragen. In dat geval moet er wel een andere school zijn die bereid is uw kind toe te laten. De school kan uw kind ook schorsen. Uw kind heeft dan tijdelijk geen toegang tot de school of tot bepaalde lessen.
Als ouder kiest u zelf een school voor uw kind. Dit doet u minimaal 10 weken voordat het nieuwe schooljaar begint. U kunt uw kind bij een school naar keuze aanmelden. Dat kan ook een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs zijn. Als u denkt dat uw kind extra ondersteuning nodig heeft, moet u dat bij de aanmelding doorgeven. De school waar u uw kind aanmeldt moet uw kind een passende onderwijsplek geven. Deze plicht is vastgelegd in de zorgplicht. Samen met u onderzoekt de school welke extra ondersteuning uw kind nodig heeft. Daarna bekijkt de school of het die ondersteuning zelf kan geven. Of biedt de school een plek op een andere gewone of speciale school die dit wel kan.
Als uw kind niet zelfstandig naar school kan, is er voor uw kind leerlingenvervoer. Bijvoorbeeld bij ziekte, een handicap of gedragsproblemen. Soms kan uw kind hier ook gebruik van maken omdat de school ver weg is. Uw gemeente beslist of uw kind recht heeft op leerlingenvervoer. Bij uw gemeente vraagt u ook het leerlingenvervoer aan.
Scholen en schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor de manier waarop zij hun groepen indelen. Ze mogen dus ook zelf besluiten of zij met onderwijsassistenten werken om passend onderwijs te bieden. Sommige scholen werken liever met kleinere groepen. Andere met grotere groepen met extra handen in de klas.
Bent u het niet eens met het besluit over de toelating van uw kind? Of zijn er problemen met de ondersteuning? Dan is de school altijd het eerste aanspreekpunt. Komt u er niet uit met de school? Neem dan contact op met het samenwerkingsverband. Komt u er samen met de school en het samenwerkingsverband niet uit? Dan kunt u kosteloos een beroep doen op een onderwijs(zorg)consulent. Deze consulenten zijn door het hele land actief.
Alle basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs kunnen zich aanmelden voor het predicaat Excellente School. Een onafhankelijke jury beoordeelt of scholen in aanmerking komen voor het predicaat. De toekenning van het predicaat valt onder verantwoordelijkheid van de Inspectie van het Onderwijs. Scholen krijgen het predicaat voor 3 jaar.